Lezingen, aankondiging en verslagen

 

Aankondiging van lezing op 15 november 2022

De datum voor de volgende lezing is vastgesteld, onderwerp en spreker worden binnenkort  bekendgemaakt.



Verslagen van lezingen 

Verslag van lezing over Paarden en Dierengeneeskunde

Op maandagavond 8 september 2022 heeft de Werkgroep Lezingen van onze vereniging een lezing georganiseerd over Paarden en Diergeneeskunde, door de Eerbeekse dierenarts Mariëtte Zonderland, bekend van radio en tv. Dit onderwerp valt onder contemporaine geschiedenis, dat wil zeggen dat het over de huidige tijd gaat.

Willem Arentsen, die samen met Myrian d’Anjou de Werkgroep Lezingen vormt, legt bij aanvang uit waarom zij dokter Zonderland uitgenodigd hebben voor de lezing: in de provincie Gelderland lopen de meeste paarden van heel Nederland rond. Dierenarts Zonderland gaat in haar stoel zitten en begint haar verhaal.

                                                  ------------------------------------

                                                                              Loopbaan

Mariëtte is sinds 1975 dierenarts en begint haar loopbaan bij dr. De Jong in Velp. Het was toen veel improviseren en ze werden vaak naar Burgers’ Dierenpark in Arnhem geroepen. Dat was een hele leerzame periode, want de dierentuin beschikte over een operatiezaal, heel bijzonder. In 1980 begon ze in Eerbeek haar eigen praktijk en was benieuwd hoeveel klandizie ze zou krijgen op haar eerste spreekuur: één hond! Dat is beter dan geen hond. Dat werd allengs beter en ze moest ook vaak voor spoedgevallen helemaal naar Hoenderloo. Langzamerhand kreeg ze meer personeel. Ze is toen bekend geworden door een serie bij T.V. Gelderland en R.T.L. 4. In 2008 heeft ze de praktijk verkocht aan  de Graafschap Dierenartsen in Vorden. Die had veel dependances, met ongeveer 100 medewerkers.

                                                                        Na de praktijk

Na het opgeven van haar praktijk is ze verhuisd naar Leuvenheim. Aangezien er een enorm tekort aan dierenartsen was, is ze als zzp-er aan de slag gegaan op verschillende plaatsen. Vervolgens werd ze dierenarts en dopingarts bij wedstrijden. Zo iemand mag geen eigen praktijk meer hebben. Na het voetbal, gaat in de paardensport het meeste geld om. Daarom moeten de paarden gecontroleerd worden om de wedstrijd eerlijk te laten verlopen en ook voor de gezondheid van de dieren. Er wordt een urine- en bloedtest afgenomen. Een paard heeft 40 liter bloed, dus die kan wel een paar buisjes missen. Bij een positieve uitslag kan  een paard twee jaar geschorst worden. Wanneer een dier positief getest is, wil dat nog niet altijd zeggen dat er doping in het spel is. In sommige diervoeders kunnen verboden stoffen zitten, b.v. papaver.

Na de pauze leest Mariëtte Zonderland een zelf geschreven verhaal voor over een Shetland pony bij het voetbalveld van Oeken. De pony was de mascotte van een elftal en mocht mee naar binnen bij De Vroolijke Frans en kreeg daar wat te drinken om de overwinning te vieren. Bij dit café is alles mogelijk. Zij vertelde ook nog dat een melkboer in Nederland een Russisch paard had, dat stopte bij het café. Een paard is een gewoonte dier.

Het was een leerzame lezing over de huidige tijd. Er hadden iets meer toehoorders kunnen zijn.

  • Verslag van: Willem Klomp


Verslag van lezing over Wederopbouwboerderijen in Cortenoever

Na de pauze van de ledenvergadering op 21 april 2022 stond een lezing geprogrammeerd van de heer Jasper Tuinstra. Als archeoloog van het bureau RAAP in Deventer had hij erin toegestemd een lezing te verzorgen over recente opgravingen in Apeldoorn, onder ander aan de Vlijtseweg. Enkele dagen voor 21 april ontvingen we van hem de mededeling dat hij besmet was door het coronavirus, dus helaas moest afzeggen. Kort dag, dus om in onze bestanden een vervanger te vinden was een onmogelijke taak, echter .... 

                                                 ---------------------------------------

Gelukkig was een kleine commissie uit ons ledenbestand - de heren Jan Regelink, Herman Blom en uw voorzitter - net bezig een kleine expositie voor te bereiden in de Bibliotheek in Brummen over wederopbouwboerderijen in onze regio, en was daarvoor behoorlijk wat fotomateriaal aanwezig ... waaronder een van de opbouw van deze expositie. 

  

De expositie behoorde tot een project van de Stichting IJsselboerderijen, die zich bezighoudt met de historie en instandhouding van de typische IJsselboerderijen, met het voorhuis dwars geplaatst op het achterhuis. Enkele jaren geleden was overeengekomen dat De Marke daarin een aandeel kon leveren, door behulpzaam te zijn bij de inventarisatie van deze boerderijen, maar alleen aan de westzijde van de IJssel.

 

Om dit onderwerp nader toe te lichten werd besloten om de aanwezigen te vergasten op het onderwerp wederopbouwboerderijen, verlucht met recente beelden van een tweetal boerderijen uit Cortenoever.
 

Dat is allereerst de boerderij op de Piepenbelt, tegenwoordig bewoond door een plaatselijke tandarts en zijn gezin. Deze boerderij heeft door de jaren heen al wat verbouwingen doorstaan. Een originele schuur die behoorlijk in de weg stond is door de huidige bewoner afgebroken, maar gelukkig waren nog wat oude tekeningen en foto’s overgebleven.

 

    
   

  
 

Daarnaast betreft het de boerderij het Heyendaal aan de Weg naar het Ganzenei, van de recent op 96-jarige leeftijd overleden Hendrik Jan Wassink, in Brummen en omgeving bij leven al een legende. Deze boerderij is eigendom van Staatsbosbeheer, aan die organisatie verkocht door Baronesse van Sytzama, onder voorwaarde dat Hendrik Jan Wassink daar tot zijn dood om niet kon blijven wonen.
 

    

 

      

 

In de lezing werd ingegaan op het belang van deze boerderijen, direct na de Tweede Wereldoorlog, omdat een heel groot aantal boerderijen door krijgshandelingen verloren was gegaan, en er behoefte was naar het snel opstarten van een “industrietak” die ook de traditionele waarden daarvan benadrukte,  plus dat er een grote behoefte was aan de producten van deze boerderijen.
 

Heel veel informatie over dit type boerderijen kan worden gevonden in de promotiestudie van Sophie Elpers: "Wederopbouwboerderijen: Agrarisch erfgoed in de strijd over traditie en modernisering, 1940 - 1955".
 

Naschrift: Zoals inmiddels bekend kan zijn is aan de Gemeente Brummen, in de persoon van de portefeuillehouder,  burgemeester van Hedel, gevraagd om de boerderij het Heyendaal te bestemmen tot Gemeentelijk Monument. De voornaamste reden is dat dit pand in de ogen van historici (en dat zouden wij allemaal moeten zijn als lid van de Historische vereniging de Marke), deze boerderij een zogenaamd Doornroosje is, ofwel nooit is verbouwd of gemoderniseerd. Het is de enige wederopbouwboerderij in de verre omtrek, die nog helemaal intact is, en weliswaar hier en daar wat vervallen, maar nog in  de originele staat verkeert.
 

Het Gelders Genootschap dat hierover van verschillende zijden is benaderd, moet nu aan de gemeente Brummen een verklaring afgeven. Als deze geaccepteerd wordt, mag de boerderij althans aan de buitenzijde niet verbouwd of aangepast worden. Informatie vanuit de naaste familie heeft al opgeleverd dat Staatsbosbeheer druk gebeld is en wordt door belangstellenden, ook al vanwege de unieke ligging.

 

  • verslag van: Jan Loonstra

Verslag van lezing over De inzet van de V1 vanaf Nederlands grondgebied in 1945

Introductie van de lezingen na coronatijd. Op 22 februari 2022 verzorgde de heer Henk Koopman uit Diepenveen een levendige, uitstekend onderbouwde lezing over de inzet van het V1-wapen door de Duitse bezetter aan het eind van de Tweede Wereldoorlog. Op 23 februari 1945 veroorzaakte een ontspoorde V1-raket een ongeluk in Eerbeek. Ook elders in het gebied van De Marke deden zich veel van dergelijke ongelukken voor. Zie hieronder het bijbehorende verslag.

Deze lezing zou oorspronkelijk begin 2020 plaatsvinden ter gelegenheid van de 75-jarige viering van het einde van de oorlog, maar werd destijds als gevolg van de coronabeperkingen uitgesteld. Bijna vijftig bezoekende leden volgden de lezing nu met grote belangstelling en waren bovendien blij elkaar weer in vrijheid te kunnen ontmoeten, ditmaal in het Cultuurhuis Pater Dekker in Eerbeek.

                                                                       ---------------------------------------

De V1 was het eerste Vergeltungswaffen waarmee de Duitsers tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog probeerden alsnog het tij te keren. De V1 was een onbemand vliegtuig met een simpele pulsemotor. De officiële aanduiding van de V1 was Fieseler 103 (Fi 103), het prototype werd namelijk ontwikkeld door de Gerhard Fieseler Werke. Codenaam was FZG 76 ( Flakzielgerät). Pas later is om propaganda redenen de V voor Vergeltung in gebruik gekomen.

Het uiteindelijke gewicht van de V1 bedroeg 2200 kg. Was 8 ½ meter lang, had een spanwijdte van 5,4 meter en had 515 liter brandstof bij zich. 

De kruissnelheid bedroeg ongeveer 600 km/u., vlieghoogte tussen de 350 m en 2100 m en het bereik was aanvankelijk max. 240 km en tegen het einde van de oorlog zo’n 375 km. Als springlading werd 980 kg Amatol gebruikt, maar later ook nog het zeer explosieve (en schokgevoelige!) Trialen.
  
De V1 viel organisatorisch onder de Luftwaffe en werd afgeschoten door het Flak Regiment 155 (W). Dit stond onder commando van Oberst Max Wachtel. De V1’s werden voornamelijk door de VolkswagenWerke en de Mittelwerke gebouwd.

De pulsemotor was niet in staat om de V1 op snelheid te brengen daarom moest er gebruik worden gemaakt van een startbaan om hem de benodigde beginsnelheid te geven. De V1 werd gelanceerd vanaf een lanceerbaan met behulp van een soort stoomkatapult, de Walter-katapult (genoemd naar de uitvinder Prof. Walter). Naderhand is de V1 ook vanuit de lucht door middel van de Heinkel 111 bommenwerper gelanceerd; onder andere vanaf de Nederlandse vliegvelden Venlo en Gilze-Rijen. Maar dit soort lanceringen bleek erg gevaarlijk en minder nauwkeurig.

De lanceerbanen, die - als de betonsokkels er eenmaal stonden - in vrij korte tijd konden worden opgebouwd en gedemonteerd, stonden aanvankelijk vooral in Normandië en Bretagne; meer dan 100. Van 13 juni tot 1 september 1944 werden daar vandaan 8600 V1’s naar Londen gelanceerd. 2400 van deze toestellen zijn daadwerkelijk op Londen zelf terecht gekomen. 

Na de invasie in juni 1944 dreven de geallieerden het Regiment steeds verder noordelijk totdat op 1 september 1944 er geen baan in Noord-Frankrijk meer bezet was en het V1 offensief op Engeland teneinde was. Medio oktober 1944 werden er stellingen betrokken in de Eiffel en het Sauerland om hiermee Antwerpen onder vuur te nemen.

Tegen eind 1944 werden in Overijssel en Gelderland vierentwintig van zulke startbanen gebouwd, waarvan er vijftien gebruikt zijn om V1’s af te schieten met als doel Antwerpen, zowel het centrum als de haven. Het wapen was nog niet geheel uitontwikkeld toen het in de strijd werd geworpen met als gevolg dat niet alleen Antwerpen te lijden had onder de V1, maar ook de aanvliegroute, de zgn. V1-alley. Heel veel V1’s stortten er vroegtijdig neer. 

Het grootste ongeluk in het gebied van vereniging De Marke trof Eerbeek op 23 februari 1945, ’s morgens om 11.00 uur. Een haperende V1 stortte neer in het dorpscentrum, op het kruispunt Stuyvenburchstraat/Illinckstraat, explodeerde en richtte enorme verwoestingen aan. Er waren vrij veel mensen op straat, waardoor er elf doden en dertig gewonden te betreuren waren. De meeste slachtoffers vielen in en dichtbij de openbare school, waarin veel Arnhemse evacués onderge-bracht waren. Het hele verhaal is beschreven in het boek Oorlog in een dorp aan de IJssel; Brummen-Eerbeek 1940 -1945 van Piet Willemsens, lid en oud-secretaris van de vereniging.
 
Een dag later, op zaterdag 24 februari 1945, kwam in Loenen om 6.00 uur ’s morgens ook een ont-regelde V1 neer. Ditmaal op een werkplaats - de “Timmerschure” - aan de Hoofdweg. Een echtpaar en kind in het nabijgelegen huis zijn hierbij dodelijk verongelukt. Op dezelfde dag viel een V2 neer aan de Traandijk in Klarenbeek, waarbij mogelijk een dode viel te betreuren. Op 8 januari 1945 was al een V1 neergekomen bij de Arnhemseweg tussen Beekbergen en de Woeste Hoeve, waarbij vijf doden vielen.

Er zijn ook nog V1’s richting Antwerpen afgeschoten uit de buurt van Rotterdam en tegen het einde van de oorlog vanuit West-Nederland nog weer naar Londen, toen een V1 met grotere reikwijdte beschikbaar kwam.

De V1 campagne zou duren tot eind maart 1945, namelijk tot 29 maart toen de laatste V1 naar Engeland werd gelanceerd en neergehaald, en tot 30 maart toen de laatste V1 naar Antwerpen werd gelanceerd. In totaal zijn er zo’n 22.000 V1’s gelanceerd. Veel V1’s verongelukten bij de start of onderweg, wat leidde tot veel ellende onder de burgerbevolking in de plaatsen die in de afvuurrichting lagen. Vooral in Gelderland en Brabant zijn veel doden en gewonden gevallen door uit de koers geraakte V1’s. Uiteraard lokte de V1 ook veel geallieerde luchtaanvallen uit op vooral lanceerinstallaties en de aanvoerlijnen, waarbij de nodige burgerslachtoffers vielen. In Engelse steden vielen ca. 8.900 doden, terwijl er in Antwerpen, Brussel en Luik zo’n 6.500 doden te betreuren waren door de V1-wapens.

  •    Verslag van: Henk Koopman

Aanvulling. De heer Koopman heeft tientallen jaren onderzoek gedaan naar de V1’s. Hij bestudeerde de vele lanceerinstallaties en -plaatsen en maakte gebruik van binnen- en buitenlandse archieven. Hij is auteur van het naslagwerk Vergeltungswaffen in Nederland (uitgegeven in het Nederlands, in hardcover, 332 pagina’s). Het boek is inmiddels uitverkocht, maar nog wel in omloop.
In het Mededelingenblad De Marke is in het verleden ook aandacht besteed aan de V1, namelijk: in 2004/1 over het V1-gat in Voorstonden, in 2005/2 over De V1-neerstorting in Eerbeek herleefd, in 2014/4 over de Plaquette ter herdenking van de V1-inslag in Eerbeek en in 2015/1 over Eerbeek 23 februari 1945, van de hand van De Marke lid en oud-penningmeester Joop Zengerink.  

 

Verslag van lezing over Historische Eerbeekse beken, geschiedenis en behoud, 23 mei 2019

Op donderdag 23 mei 2019 hield de Oudheidkundige Vereniging ‘De Marke’ haar jaarvergadering in restaurant Pijnappel in Klarenbeek. Na het beëindigen van het officiële gedeelte van de vergadering, was het woord aan de heer Bert van der Saag, IVN-gids, voor zijn lezing over historische beken in Eerbeek. Ongeveer dertig leden woonden deze lezing, die voornamelijk betrekking had op het weer in historische toestand brengen van de Gravinnebeek, bij.

Eerbeek en water zijn al honderden jaren onlosmakelijk met elkaar verbonden. De eerste gebruikers van het Veluws grondwater waren de papierindustrie en de wasserijen. Nog steeds maken deze twee bedrijfstakken gebruik van dit water. Getuige van dit gebruik is de onmisbare Eerbeekse beek, die door het dorp loopt en uiteindelijk zijn weg naar de IJssel vindt.

Een minder bekende zijtak van die Eerbeekse beek is de Gravinnebeek, gelegen op het landgoed “de Molenbeek”. Deze beek is ruim een kilometer lang en staat inmiddels al dertig jaar droog. Een werkgroep, voornamelijk bestaande uit IVN-leden, heeft het plan opgevat om deze beek weer watervoerend te maken en is er met veel moeite in geslaagd dit plan ook daadwerkelijk uit te voeren. Het was een hele klus, maar het resultaat is uiteindelijk zichtbaar geworden.

Aan de Gravinnebeek stond in vroegere tijden het Kerstens Molentje. Het stond ongeveer halverwege de beek, tussen de tegenwoordige sprengen en de uitmonding in de Eerbeekse beek. Hieraan herinneren nog de nu droogstaande bovenbeek en een ruïne van een waterval, die was opgebouwd uit twee boven elkaar liggende gedeelten en een opslag van iepen. De iep was voor molenaars een belangrijke boom. Het hout werd gebruikt voor molengoten en assen van molenraderen.

              

Het water uit de sprengen voedde eertijds de Gravinnebeek, maar momenteel de Eerbeekse beek. De Gravinnebeek, de zuidelijke tak, staat droog. Dit was in de achttiende eeuw anders. In 1732 werd hierover al een juridisch proces gevoerd. Enkele molenbezitters uit Eerbeek en Voorstonden meenden dat de molen aan de Gravinnebeek - door hen als aanleggers de “Nieuwe Molen” genoemd - mede oorzaak was van te weinig watertoevoer op hun watermolens aan de Eerbeekse beek.

Met veel verhalen, foto’s en bewegende beelden werd het in historische toestand terugbrengen van de Gravinnebeek ondersteund. Een gedreven en enthousiaste IVN-medewerker bezorgde de aanwezigen een leerzame en genoeglijke avond.

  • verslag van: Jan Regelink
  • mededelingenblad De Marke, oktober 2019

 

Verslag van lezing over De geschiedenis van de Hanze, 17 oktober 2019

Op 17 oktober 2019 verzorgde de heer Henk van Manen een boeiende lezing over de geschiedenis van de Hanzesteden in Noordwest Europa. Henk van Manen studeerde na zijn gymnasiumopleiding Engelse taal- en letterkunde aan de Universiteiten van Amsterdam en Durham (UK). In zijn werkzame leven was hij leraar aan Het Rhedens Rozendaal. Hij had altijd grote belangstelling voor geschiedenis; hieruit kwam zijn studie over de Hanze voort.

De Hanze was een samenwerkingsverband tussen diverse steden in hoofd-zakelijk Noordwest Europa. In grote lijnen bestond de Hanze uit twee gebieden: de Vlaamse Hanze, die zich met 17 steden uit Noord-Frankrijk en Vlaanderen vooral richtte op de handel met Londen en zijn achterland, en de Noord-Duitse Hanze.

                      

De Hanze was gegroeid uit de samenwerking van een groep steden om de handel te vergemakkelijken. Deze samenwerking gaf verschil-lende voordelen, zoals gezamenlijk vervoer, prijs-afspraken, bewaking door soldaten, privileges zoals het heffen van tol. Ook hoorde hierbij het gebruik van een hijskraan in de haven, in Danzig is hiervan nog een voorbeeld te zien.

In de 13e eeuw waren er nog geen staten zoals nu en door het gebrek aan regels waren er veel onderlinge conflicten. De Hanze bracht hierin een grote vooruitgang door het instellen van onderlinge internationale regels die de handel bevorderden. De voordelen hiervan werden steeds duidelijker en zo groeide de Hanze. Rond 1300 was de organisatie al zo gegroeid dat men kon onderhandelen met de vorsten van verschillende gebieden. Eén van de voordelen hiervan was, dat er een stabiel muntrecht kwam.  

Deze samenwerking tussen de steden resulteerde in 1356 tot de formele oprichting van de Hanze bij de eerste officiële vergadering in Lübeck. Hoewel het geheel heel los was georganiseerd, waren er op het hoogtepunt 77 zogenaamde principaalsteden aangesloten die allen weer bijsteden hadden in hun achterland. Deze principaalsteden lagen alle aan het water, aangezien het bulkvervoer van bijvoorbeeld graan, hout en ijzer, in die tijd per schip plaats vond.

De Hanze heeft ongeveer 400 jaar bestaan, met als hoofdzaak de handel naar en van de Oostzee in onder andere haring, wol, stokvis, wijn, hout, graan en specerijen. Deze goederen moesten ook onderling betaald worden. Dit gebeurde in het begin vooral door ruilhandel en later met schuldbekentenissen en goud en zilver. Ook kwam er in die tijd al bedrog voor, enkele voorbeelden hiervan zijn dat de kan die gebruikt werd voor inhoudsmaten steeds kleiner werd en de el steeds korter. Je zou kunnen zeggen dat de Hanze werkte als de huidige OPEC: men wil wel samen-werken, maar men blijft wel concurrenten van elkaar.

De laatste Hanzedag en daarmee het eigenlijke einde van de Hanze was in 1669 toen nog maar 16 steden samen kwamen, met pas in 1862 het officiële einde toen de laatste drie steden - Hamburg, Bremen en Lübeck - de Hanze opgeheven hebben.

De teloorgang van de Hanze kwam door onrust en oorlogen, zoals de 80- en 30-jarige oorlog die in die tijd speelden. Ook de opkomst van de grotere staten maakte onderlinge handel eenvoudiger. Verder werden de schepen groter en konden lang niet meer alle Hanzesteden bereiken. Een andere oorzaak was dat Holland en Zeeland de handel weg drukten. Dankzij de Hanze hadden ze hun schepen kunnen bouwen en de handel kunnen opbouwen, waardoor de scheepvaarttraditie van Holland is kunnen ontstaan.

  • verslag van: Hendrik van Oorspronk
  • mededelingenblad De Marke, december 2019